top of page
Zoeken

Wie zijn de Bnei Noach?

  • 15 feb
  • 14 minuten om te lezen

Wie zijn de bnei noach?

God zei tegen Noach en zijn zonen die bij hem waren: 

“En Ik breng van Mijn kant Mijn verbond met jullie en met jullie nakomelingen tot stand“

beresjiet/genesis 9:8-9

Wie de noachitsche wetten niet aanvaardt en ze niet naleeft, wordt in de rabbijnse literatuur een ‘goj’ of ‘buitenstaander’ genoemd.

In de Tenach betekent het woord “goj” eenvoudigweg: volk of natie. Zelfs Israël wordt meerdere keren een gojgenoemd: “Goj kadosh” – een heilig volk (Sjemot/Exodus 19:6). Het woord zelf is dus niet negatief. In latere rabbijnse literatuur wordt het woord soms gebruikt als een aanduiding voor iemand die niet tot Israël behoort. Of, in een bepaalde halachische context, iemand die buiten het verbond leeft. In zijn oorspronkelijke betekenis is het geen scheldwoord.

De Rambam maakt (in Hilchot Melachim 8:11) een onderscheid. 

Er zijn drie categorieën onder de volkeren:

1. Chasidei umot ha’olam: dit zijn mensen uit de volkeren die de Noachidische wetten aanvaarden omdat ze door Hasjem via Mosje zijn gegeven.

2. Chachamim (wijzen): dit zijn mensen die deze wetten naleven vanuit een rationele overtuiging.

3. De mensen die ze niet aanvaarden of naleven.

Soms wordt iemand die de fundamentele morele orde verwerpt, in een halachische context aangeduid als iemand die buiten de morele gemeenschap staat: een “buitenstaander”. Het gaat dan om een moreel-theologische categorie.

Volgens de Talmoed (Sanhedrin 56–59) vormen de zeven Noachitische wetten de minimale basis voor de menselijke beschaving. Wie ze volledig verwerpt, verwerpt daarmee de erkenning van G-d, de heiligheid van leven en rechtvaardigheid als norm. De rabbijnen spreken dan niet over afkomst, maar over de positie ten opzichte van de morele orde.

Tegenwoordig wordt het woord “goj” vaak ervaren als negatief. Dat komt deels door het historisch gebruik binnen een polemische context. Maar in halachische taal gaat het om een technische term. Het bestaan van het verbond geeft aanleiding tot het bestaan van verscheidene categorieën mensen: zo is er de jood, de Ger (proseliet), de Ben Noach, de Oved avoda zara, etc. Deze termen spreken niet over de waarde van de betrokken persoon als mens. Het gaat om verbondscategorieën. De Torah leert immers: “Geliefd is de mens, want hij is geschapen naar het beeld van G-d.”(Pirkei Avot 3:14) en dat geldt voor ieder mens.

Volgens Rambam kan je een onderscheid maken tussen een morele beschaving en de bewuste erkenning van de goddelijke openbaring. Maar dat is geen hiërarchie in waardigheid. Het gaat hier om een onderscheid in relatie tot het verbond.

 

In halachische literatuur wordt identiteit vaak negatief én positief gedefinieerd. Zo is een Jood bijvoorbeeld niet alleen iemand die geboren is uit een Joodse moeder, maar ook iemand die niet afvallig is geworden. En een kohen is niet alleen de zoon van een kohen, maar ook iemand die geen diskwalificerende handelingen heeft verricht. Zo ook hier. De tekst probeert waarschijnlijk te zeggen: een Ben Noach is niet zomaar iemand die niet-Joods is. Het is iemand die bewust de Noachitische geboden aanvaardt als deel van het goddelijk verbond. Deze uitspraak dient dan om een onderscheid te maken tussen iemand uit de volkeren (die het verbond niet aanvaardt) en iemand uit de volkeren die zichzelf plaatst binnen het noachidische verbond. Dat is een juridische afbakening, geen waardeoordeel.

 

Verbondstaal is relationeel, maar geeft geen waardeoordeel. In de Torah betekent “binnen het verbond” zijn dat je de bron van de norm erkent en dat je in een relatie staat tot de Wetgever. Wie dat niet doet, staat “buiten” dat verbond. Maar deze woorden “buiten het verbond” betekenen niet dat je daardoor minder mens bent, of minder waard, of minder geliefd door G-d. De Tenach is daar heel duidelijk over: “Heeft niet één God ons allen geschapen?” (Maleachi 2:10). De waarde van een mens is er door het feit dat hij een tzelem Elokim (het beeld van G-d) is, maar niet vanuit een verbondsstatus.

In ons modern taalgebruik kunnen deze woorden denigrerend overkomen. Het woord “buitenstaander” klinkt sociaal of moreel lager. Maar in rabbijnse taal betekent het meestal: iemand die niet onder deze specifieke juridische categorie valt. Dat kan je vergelijken met de uitspraak: “iemand is geen burger van dit land.” Het betekent niet dat deze persoon daardoor minder mens is, maar dat hij niet onder de wetgeving van dat land valt. Het probleem is dat oude verbondstaal botst met moderne gevoeligheid rond het begrip van gelijkwaardigheid.

Volgens Rambam is het cruciaal dat een Ben Noach de wetten expliciet aanvaardt omdat ze door Hasjem via Mosje zijn gegeven. Anders blijft de relatie puur rationeel. En het Jodendom is geen systeem van moraal alleen, maar van relatie. Een Ben Noach is niet alleen iemand die toevallig een moreel leven leidt. Hij of zij is iemand die zich bewust verbindt aan de universele openbaring. Het gaat hier dan niet om een hiërarchie (wie is er nu meer of minder mens), maar om een onderscheid in religieuze positie.

Kan verbondstaal exclusief klinken? Ja.

De Torah worstelt daar zelf mee. Israël wordt “uitverkoren” genoemd. Maar ook verantwoordelijk gemaakt voor de wereld. Rav Jonathan Sacks formuleerde het zo: “Chosen does not mean better. It means called to a particular role.” Bij een ben Noach gaat het niet om een morele rang, maar om een bewuste rol.

 

Maar is het noachidisch verbond niet vooral een existentiële relatie met Hasjem, zou je misschien zeggen.

Dat is een zeer wezenlijk uitgangspunt.

Als je het verbond existentieel verstaat — als relatie met Hasjem — dan verandert de hele toon van de discussie.

In de Tenach is een brit of verbond geen administratieve categorie, maar een levende relatie. Zo lezen we bij Noach: “Maar met jou zal Ik Mijn verbond oprichten.” (Bereesjiet 6:18). Dat verbond komt vóórafgaand aan de wetten in hun uitgewerkte vorm. Eerst is er de relatie. Dan volgt de norm. Als jij het verbond existentieel ziet, dan is een Ben Noach in de eerste plaats niet iemand die de zeven regels naleeft maar iemand die leeft in een bewuste verbondenheid met de G-d van Noach, de G-d van alle mensen. De wetten zijn dan geen toegangsticket, maar ze geven vorm aan die relatie.

Het boek ‘briet sjalom’noemt de mensen die dat niet doen “buitenstaanders”? Vanuit existentiële verbondstaal betekent de term ‘buiten’ hier niet dat ze daarom minderwaardig zijn. Alleen hebben ze geen bewuste relatie met Hasjem. Denk aan Hosjea, waar Israël “Lo-Ammi” (“niet Mijn volk”) wordt genoemd, niet omdat ze ophielden om een mens te zijn, maar omdat de relatie verbroken was. In relationele termen betekent het begrip “buiten” dat er geen wederzijdse erkenning is. Niet dat de betrokken persoon of personen geen waarde hebben.

 

De Talmoed (Sanhedrin 59a) suggereert dat ook een niet-Jood die Torah leert, daarin waarde heeft. Maar de Rambam maakt hier een onderscheid tussen moreel leven op basis van je ratio, je mentale inzicht, en leven vanuit je erkenning van de openbaring van de Eeuwige. Als jij het verbond existentieel ziet, dan is de kernvraag: is je relatie afhankelijk van je expliciete aanvaarding van het verbond? Of kan iemand een relatie hebben met Hasjem zonder dat zo te benoemen? Rav Kook bijvoorbeeld zag goddelijke vonken in de morele zoektocht van ieder mens, ook zonder expliciete verbondstaal.

Er zijn drie mogelijke niveaus:

1. De ontologische waarde: ieder mens is een beelddrager van Hasjem, een tzelem Elokim en is dus absoluut gelijkwaardig.

2. De morele beschaving: een samenleving wordt gebouwd op rechtvaardigheid: dat is universeel toegankelijk.

3. De bewuste verbondsrelatie: dit is een relatie die steunt op de erkenning van Hasjem als de ‘bron’ van die moraal. 

De uitspraak in Briet Sjalom lijkt te spreken over het derde niveau.

Als het verbond existentieel is, dan is het misschien niet passend om het in de eerste plaats negatief te definiëren (“wie het niet aanvaardt is een buitenstaander”). Een relatie definieer je immers door verbondenheid, niet door uitsluiting.

Ik begrijp dat de noachidische wetten een voorwaarde zijn om een echte relatie aan te gaan met Hasjem. Als de Noachitische wetten een voorwaarde zijn voor een echte relatie met Hasjem, dan zeggen we eigenlijk iets heel fundamenteels. Relatie met Hasjem is niet alleen een kwestie van gevoel of geloof, maar een morele positionering in de werkelijkheid. Dat is diep Joods. In de Torah is een brit of een verbond nooit alleen emotioneel.Bij Avraham lezen we het al: “Wandel voor Mijn aangezicht en wees tamim.” (Bereesjiet 17:1). Relatie vraagt afstemming. Je kunt geen verbond hebben met de Bron van rechtvaardigheid terwijl je de rechtvaardigheid verwerpt. De zeven Noachidische wetten vormen de minimale structuur waarin de wereld bewoonbaar wordt voor de aanwezigheid van Hasjem. Zonder de erkenning van Eén G-d, zonder het respect voor het leven en zonder zijn rechtvaardige orde kan er geen duurzame relatie met Hasjem blijven bestaan. Dat is geen strafmechanisme, maar een ontologische realiteit.

Als jij zegt: de wetten zijn de voorwaarde voor een relatie met Hasjem, dan duidt het woord ‘goj’ of “buitenstaander” in deze context eenvoudigweg op iemand die niet in deze relationele structuur staat. Hij is als mens daarom niet minderwaardig. Het betekent ook niet dat hij verworpen is. Het betekent gewoonweg dat hij niet verbonden is op het niveau van het noachidisch verbond. Vergelijk het met een huwelijk: ieder mens is waardevol,maar niet iedereen staat in jouw huwelijksverbond. Het gaat hier niet om een hiërarchie van mens-zijn (wie bijvoorbeeld superieur zou zijn als mens, en daardoor meer zou tellen), maar om een relatie.

Rambam benadrukt dat een Ben Noach de wetten moet aanvaarden omdat ze door Hasjem via Moshe zijn geboden. Maar waarom is dat zo belangrijk? Omdat een relatie wederkerigheid vraagt. Als ik moreel leef maar niet erken dat mijn moraliteit gegrond is in Hasjem, dan leef ik wel correct maar sta ik niet in een expliciete verbondsrelatie met Hasjem. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Briet Sjalom die grens zo duidelijk markeert in een hoofdstuk over de definitie van een Ben Noach. Briet Sjalom wil met haar uitspraak duidelijk maken dat een Ben Noach een bewuste religieuze positie is.

De Talmoed zegt: “De rechtvaardigen van de volkeren hebben deel aan de komende wereld.” Hasjem laat een relatie met Hem niet afhangen van de indeling in een juridische categorie. Er is altijd plaats voor verborgen verbondenheid. Zelfs als de noachidische codex de voorwaarde is voor een bewuste verbondsrelatie, kan er nog steeds goddelijke nabijheid bestaan buiten deze expliciete categorieën. Hasjem is groter dan onze definities.

 

 

De noachidische wetten zijn als een structuur die beschermt en een relatie mogelijk maakt, maar daardoor is ook gemakkelijk een grens te trekken waardoor er een scheiding komt vanuit de praktische gevolgen ervan. Hoe zit dan?

Elk brit of verbond creëert een vorm, en dus ook een grens. In de Torah betekent kedoesja (heiligheid) letterlijk: iets dat afgescheiden is. Niet om uit te sluiten, maar om iets te definiëren. Een huis zonder muren biedt geen bescherming. Maar de muren kunnen ook als uitsluiting ervaren worden. De zeven Noachidische wetten zijn als muren van een bewoonbaar moreel huis. Ze maken een relatie met Hasjem mogelijk, maar ze markeren ook. Binnen de muren van de noachitische codex leef je in een bewuste afstemming. Dat is onvermijdelijk bij elke verbondsstructuur. Een grens zegt: dit is de vorm waarin onze relatie tot stand komt. Een veroordeling zegt: wie daarbuiten staat is minder. De rabbijnse traditie bedoelt het eerste, maar onze taal kan het tweede suggereren. Denk aan de sjabbat. De sjabbat bepaalt een grens in de tijd. Die grens maakt heiligheid mogelijk. Maar wie zich niet aan de sjabbat houdt, is daarom niet minder mens. Zo ook hier. 

Ieder mens is een beelddrager van G-d. Maar niet iedereen staat in hetzelfde type van relatie. Rav Sacks zei vaak:G-d maakt universele verbondenheid mogelijk via specifieke verbonden. Het betekent dat de Noachitische structuur er niet een is die een muur opbouwt tegen anderen in, maar dat ze een manier is waarop alle mensen op aarde collectief in een relatie kunnen staan.

Waarom voelen we dan zo gemakkelijk een grens in de praktijk? Omdat het verbond ook gevolgen heeft. We denken dan aan de halachische status, aan spirituele categorieën en aan eschatologische uitspraken bijvoorbeeld. En van zodra iets praktische gevolgen heeft, wordt dat al gauw ervaren als een onderscheid. Maar onderscheid betekent niet per definitie hiërarchie. In de Torah zijn er Kohanim en Levi’im; we lezen over Israël en over de gerim maar ook over de Bnei Noach. Het gaat allemaal om verschillende rollen, maar ze zijn gelijk in hun oorsprong.

Wanneer een structuur primair via ‘uitsluiting’ wordt gedefinieerd (“wie het niet aanvaardt is een buitenstaander”), voelt dat harder aan dan wanneer ze beschreven wordt in positieve termen (“wie het aanvaardt staat in een verbondsrelatie”). Halachische teksten definiëren vaak scherp. Existentiële religiositeit voelt zachter. Briet Sjalom geeft een definitie in de juridische betekenis. De Zohar beschrijft de geboden als “levushim”, gewaden van de ziel. Een gewaad is iets dat het lichaam omsluit. Het onderscheidt binnen van buiten. Maar het is bedoeld om het licht te dragen, niet om andere mensen te weren. Misschien zijn de zeven wetten zo’n gewaad voor de mensheid.



 

,-

De structuur van de noachitische context is noodzakelijk, maar die staat er niet in dwang, wel uit liefde. Dat is gekozen trouw. In de Torah is liefde nooit vormloos. Zo lezen we bijvoorbeeld Devarim 6:5: “En je zult Hasjem liefhebben…”. Deze woorden worden dan onmiddellijk gevolgd door concrete geboden. De liefde krijgt vorm via de mitsvot. Zonder structuur blijft liefde vaag.Zonder liefde wordt structuur koud. De structuur is noodzakelijk, maar ze is geen beperking: ze is een ‘bedding’. Zoals een rivier die haar kracht krijgt door haar oevers.

Waarom voelt de grens van het verbond dan toch scherp aan? Omdat je existentieel denkt. Wanneer je de Noachidische weg ziet als de ruimte waarin een volle relatie mogelijk is, dan impliceert dat automatisch dat buiten die ruimte diezelfde volheid ontbreekt. Dat is geen veroordeling. Maar het is wel een realiteit. Vergelijk het met muziek. Binnen de context van de toonladders ontstaat er harmonie. Maar buiten die structuur horen we alleen maar geluid, geen compositie. Dat betekent niet dat er buiten de toonladder niets bestaat. Alleen dat de specifieke harmonie daar niet ontstaat.

In het joodse denken is ware vrijheid niet hetzelfde als grenzenloosheid. Vrijheid krijgen we door een vrijwillige begrenzing in dienst van wat goed is. Avraham koos voor het brit of het verbond. Israël zei: “Na’aseh ve-nisjma.” En de Ben Noach zegt nu iets vergelijkbaars: ik sta in deze structuur uit liefde. Daarom worden de anderen daar niet door uitgesloten. De Ben Noach drukt er gewoon zijn keuze mee uit: hij zegt dat hij zich toewijdt en dat dit een keuze is die hij uit vrije wil maakt. 

In deze optiek betekent het woord “buiten” niet “slechter”, maar: “niet in deze specifieke relationele vorm”. Hasjem blijft de Schepper van alle mensen. Maar het verbond is altijd concreet. Net zoals een huwelijk geen ontkenning betekent van de mensen die niet gehuwd zijn, maar de uitdrukking vormt van een specifieke, gekozen relatie tussen twee huwelijkspartners.

 

Iemand die eerlijk G-d zoekt zal vroeg of laat toch bij de noachitische codex uitkomen. Maar dat belet niet dat hij ondertussen in de mate van zijn eerlijkheid, daarin geholpen en geleid wordt door Hasjem. 

De zeven wetten (zoals geen afgoderij, niet vloeken tegen G-d, niet moorden, niet stelen, enz.) worden in de Talmoed gepresenteerd als een universele, ethische structuur die G-d aan alle mensen gaf als basis voor een rechtvaardige samenleving. Ze gelden voor iedereen (niet alleen voor Joden). Als iemand oprecht G-d zoekt, dan zal die zoektocht iemand onvermijdelijk in de richting van deze normen leiden. Het is niet zo dat iemand eerst moet “weten” van deze wetten om ze daarna dan te volgen. Vaak wordt iemand door zijn eerlijkheid en zijn verlangen naar waarheid en morele afstemming geleid naar principes die deze wetten weerspiegelen. Daar zit de praktische realiteit van het vinden van Hasjem in. iemand die eerlijk G-d zoekt zal … in de mate van zijn eerlijkheid hierin geholpen en geleid worden door Hasjem. Dat is een diepe religieuze waarheid die ook binnen de joodse traditie leeft. Er zijn verschillende dimensies om dit te begrijpen:

a) De wetten zijn nooit bedoeld als een strikt “poortwachtersmechanisme” - Hoewel halachische bronnen de wetten definiëren als de voorwaarden voor een formele relatie, maken ze tegelijk ook duidelijk dat G-d Zelf niet afhankelijk is van menselijke taal om mensen te bereiken. In de Talmoed wordt er zelfs gezegd dat de rechtvaardigen van alle volken deel hebben aan de komende wereld. Dat betekent dat eerlijk zoeken, eerlijk leven en trouw aan de universele moraal spirituele waarde hebben, ook buiten een actieve ceremoniële verbondsstatus. 

b) Het is niet enkel de menselijke wil. Er bestaat goddelijke begeleiding. - Een eerlijk mens die zoekt naar waarheid zal gerechtigheid uiten vanuit zijn innerlijke geweten. De joodse traditie ziet dat niet als een zuiver “eigen moraliteit” maar als een teken van G’d zelf dat een richting aangeeft. De Rambam benadrukt bijvoorbeeld dat het niet genoeg is om rationeel goed te leven. Het gaat erom te leven omdat G-d dit wil. Daarin ligt de goddelijke uitnodiging om dieper verbonden te raken. 

Dat iemand oprecht en eerlijk G-d zoekt en door Hasjem zelf wordt geleid, raakt aan dit kernpunt. De zeven wetten vormen een structurele weg naar relatie, maar G-d zelf wendt zich tot ieder mens die met open hart zoekt. De wetten zijn geen muur waar het licht stopt; ze vormen eerder de taal waarmee dat licht in onze menselijke wereld tot uitdrukking komt. De wetten zijn de vorm waarin G-d Zich openbaart aan de mensen. Maar de relatie zelf is niet eenzijdig. G-d roept en leidt mensen, ook vóórdat ze de teksten hebben geleerd. Iemand die eerlijk zoekt, kan (en zal) in toenemende mate de realiteit van G-d en moraal begrijpen, omdat dat zelf het werk van G-d in het hart is.

Je kunt dit vergelijken met muziek. De zeven Noachitische wetten zijn als de grondtonen in een compositie. De noten vormen de basisstructuur van een melodie. Een eerlijk zoekend mens voelt al bij zichzelf die harmonie, zelfs voordat hij de theorie kent. Maar zodra iemand bewust gaat zitten studeren, begrijpen en volhouden, wordt de relatie steeds rijker en bewuster. Net als een muzikant die van intuïtieve klanken naar eenbewuste compositie groeit. Eerlijk zoeken naar G-d leidt mensen naar de waarheid van deze wetten, omdat die wetten de wijze zijn waarop G-d Zichzelf universeel aan de mensheid heeft geopenbaard en moreel ingeschreven. G-d leidt Zelf de mensen, zelfs vóórdat of terwijl ze leren over deze wetten, want G-d zoekt iedereen op die oprecht zoekt. De Noachitische wetten zijn dus niet pure voorwaarden of grenzen, maar ze duiden op de structuur waarin een echte relatie met G-d mogelijk wordt.

 

De geboden tegen afgoderij en tegen het lasteren van de Naam lijken in deze context toch fundamenteel te zijn, omdat zij de bron van autoriteit bepalen. Zonder die bron verliezen de andere geboden hun uiteindelijke grond. 

Afgoderij is in de Torah niet alleen knielen voor een beeld. Het is het toekennen van ultieme autoriteit aan iets dat G-d niet is. Rambam (Hilchot Avoda Zara 1) beschrijft hoe afgoderij begon: mensen erkenden G-d, maar gingen tussenkrachten ‘absolutiseren’. Het verbod op afgoderij zegt dus dat er één ultieme Bron van moraal en bestaan is. Zonder dit verbd wordt moord bijvoorbeeld sociaal onwenselijk, diefstal wordt slechts wettelijk verboden, en rechtspraak is dan slechts gebouwd op menselijke afspraak. Met dit verbod wordt het leven heilig. Bezit wordt toevertrouwd binnen een moreel kader en rechtspraak betekent deelnemen aan de goddelijke orde. De geboden tegen afgoderij vormen inderdaad het fundament voor alle andere geboden. 

En waarom is het verbod op godslastering zo fundamenteel? Omdat onze taal vorm geeft aan onze relatie. In Bereesjiet schept G-d de wereld door te spreken. De mens, geschapen naar Zijn beeld, bouwt of vernietigt door zijn spreken. Het lasteren van de Naam houdt meer in dan een belediging. Het is het ontkennen van de heiligheid van de relatie zelf. De Talmoed (Sanhedrin 56a) plaatst dit verbod direct naast afgoderij. Allebei beschermen ze de ‘verticale as’ van het bestaan.

Dit zien we ook bij de Tien Geboden. De eerste geboden hebben betrekking op onze relatie met G-d (verticaal).Daarna lezen we over de relatie met de mens (horizontaal). Deze eerste geboden bepalen de autoriteit van de volgende geboden. Zonder deze “verticale oriëntatie” wordt moraliteit “utilitair.” Met de verticale oriëntatie wordt moraal een zaak van het verbond.

Maar volgt iemand die moreel leeft maar G-d niet expliciet erkent, dan een moreel systeem dat geen grond heeft?

De Midrasj zegt dat de wereld vóór de zondvloed ten onder ging omdat men geweld normaliseerde. Niet alleen omdat de mensen G-d vergaten, maar omdat men G-d vergat, verloor de ethiek zijn ‘anker.’ De geboden tegen afgoderij en godslastering bieden hier een bescherming tegen.

Yirah (of ontzag voor Hasjem)i s dan de poort tot de nabijheid van de Eeuwige. Bij de Sinaï lezen we: “Opdat Zijn ontzag over jullie zal zijn, zodat jullie niet zondigen.” (Sjemot 20:17) Maar tegelijk zegt de Torah: “Hasjem sprak met jullie van aangezicht tot aangezicht.” Ontzag (yirah) creëert geen afstand, maar bewustzijn. En bewustzijn maakt ons open voor Zijn Aanwezigheid. Rav Soloveitchik schreef dat yirah geen angst is, maar het besef van ons staan in de Werkelijkheid van G-d. Dat besef intensiveert Nabijheid. Afgoderij is in essentie het reduceren van het transcendente tot iets beheersbaars. 

De Rambam zegt (Yesodei HaTorah 2:2): Wanneer iemand de grootheid van Hasjem overdenkt,wordt hij vervuld van liefde en ontzag tegelijk. Eerst is er de verwondering. Dan volgt het gevoel van de grootheid van Hasjem in relatie tot zijn eigen positie en dan ontstaat er het verlangen. Liefde zonder ontzag kan sentimenteel worden. Ontzag zonder liefde kan afstandelijk worden. Maar het ontzag dat ons opent voor Zijn nabijheid, brengt ons tot het verbond. De Noachitische structuur is geen emotioneel toevluchtsoord maar ze biedt een heilige ruimte waarin we Hasjem kunnen ontmoeten. 

 

Baruch Ben Noach

 

 
 
 

Opmerkingen


© Dutch Noahide Community 2025 , All rights reserved.
bottom of page